In de opvattingen over duurzaamheid en maatschappelijk ondernemen wordt vaak het Rijnlandse model gezien als de enige manier om, ook op lange termijn, de doelstellingen te behalen.
Reeds voor de kredietcrisis schreven we hierover in onze nieuwjaarsboodschap, waarin we waarschuwden voor het Angelsaksische model in zijn pure vorm. Nu de bonuscultuur op korte-termijnresultaten na de kredietcrisis nog steeds binnen veel bedrijven als acceptabel wordt gezien, laait de discussie weer op. Maar wat is dat Rijnlandse model nu eigenlijk? En is het echt zoveel beter dan het Angelsaksische? In dit artikel lichten we het Rijnlandse model toe aan de hand van acht vragen.
Eenvoudig gezegd is het Rijnlandse Model het economische systeem zoals dat van oudsher wordt gehanteerd in de landen van de Rijn (Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en Nederland) en in de daaraan verwante economieën (de Scandinavische landen, België, Luxemburg en Japan). Het staat voor de overlegcultuur zoals we die in ons land maar al te goed kennen, voor solidariteit, voor waardering voor vakmanschap en voor andere waarden dan alleen geld, zoals kwaliteit en geluk.
Het Rijnlandse model veronderstelt een overheid die zich actief bezighoudt met zaken als milieu, ruimtelijke ordening, onderwijs en sociale vraagstukken. Voorts veronderstelt het een samenwerkingsbereidheid tussen overheid, werkgevers en werknemers. Daar waar de tegenstanders van het Rijnlandse model vooral aandringen op loonmatiging, deregulering, en privatisering als nuttig voor de economische vooruitgang, zien de aanhangers van het Rijnlandse model vooral de betrekkelijke consensus tussen de diverse partners, het goede opleidingsniveau van de bevolking, de stabiliteit en de afwezigheid van al te scherpe misstanden als belangrijke voorwaarden voor de technisch-economische ontwikkeling.
Het Rijnlandse ondernemingsmodel legt de nadruk op het middellange- en lange-termijndenken, waarbij continuïteit van de onderneming belangrijker is dan het nemen van een snelle korte-termijnwinst. Daarmee staat het Rijnlandse model lijnrecht tegenover het Angelsaksische model in zijn meest rauwe vorm (zoals te vinden is in de VS, Groot-Brittannië en Singapore), waarbij geld vaak de enige maatstaf lijkt te zijn, de aandeelhouder de baas is en processen alleen nog maar zo efficiënt en goedkoop mogelijk worden gemanaged. Wel is de naar Rijnlands model vormgegeven onderneming vaak meer gesloten dan de Angelsaksische variant, die zijn financiering hoofdzakelijk via de beurs verkrijgt, daar waar de Rijnlandse onderneming meer via families en banken wordt gefinancierd.
Toch is inmiddels ook het oude Rijnland overspoeld door het Angelsaksische denken. Het marktdenken werd er geïntroduceerd, ook in sectoren die traditioneel door de overheid werden geregeld, zoals de nutsbedrijven, de post en zelfs de gezondheidszorg.
We ondervinden momenteel aan den lijve waartoe het neoliberale kapitalisme kan leiden. Als geld de enige maatstaf is en de aandeelhouder beslist, kunnen andere waarden als het milieu, morele overwegingen, werkplezier, de solidariteit tussen bevolkingsgroepen, duurzaamheid van de onderneming et cetera, gemakkelijk in het geding komen.
Volgens critici van het neoliberalisme is de huidige crisis veroorzaakt door een eenzijdige focus op winst, door het korte-termijndenken als gevolg daarvan en door de bonuscultuur en de zelfverrijking aan de top, die volgens dezelfde critici uitwassen zijn van een ongebreideld neoliberalisme ofwel van het Angelsaksische model. Daarnaast zou het neoliberalisme in veel landen geleid hebben tot grotere verschillen tussen arm en rijk en tot uitputting van natuurlijke bronnen en milieuproblemen. Bovendien keren in het Rijnland nu steeds meer professionals zich af van de op neoliberale leest geschoeide organisatie, vanwege het feit dat ze zich niet meer gewaardeerd voelen als vakman en als mens. Artsen, docenten, verpleegkundigen, politieagenten, ze zien zich gereduceerd tot een productiefactor (een human resource) in de door schaalvergroting almaar uitdijende zorg-, onderwijs- en bonnenfabrieken. Ze worden nog slechts geacht de steeds uitgebreidere procedures en regels op te volgen en zijn een groot deel van hun werktijd kwijt aan administratie en verantwoording aan een manager zonder enige vakkennis. Hierop wordt bijvoorbeeld in de zorg de wetgeving aangepast. Daardoor zijn, om in de woorden van de voorzitter van de FNV, Agnes Jongerius, te spreken ‘arbeidsorganisaties teeds minder een plek waar je nog lekker kunt werken’.
In zijn meest ideale vorm is het Rijnlandsmodel misschien wel veel beter dan het Angelsaksische model. In het Rijnland is in elk geval meer oog voor andere zaken dan geld en de belangen van de aandeelhouder alleen. Er zijn meerdere stakeholders in het spel, zoals werknemers, klanten, leveranciers en de samenleving als geheel, en die zijn in het Rijnland allemaal even belangrijk.
In het Rijnlandse model wordt de bijdrage van een onderneming niet alleen in winst gemeten, maar ook in minder tastbare zaken, zoals de kwaliteit van de geleverde producten, het werkplezier van de medewerkers en de bijdrage van de onderneming aan de samenleving als geheel. Bovendien is alles veel meer gericht op de lange termijn, niet alleen als het gaat om het voortbestaan van de organisatie zelf, maar ook in het streven naar een langdurige relatie met leveranciers, vakbonden en klanten.
Ook is er in het Rijnland meer ruimte voor kleinschaligheid en voor de menselijke maat. Doordat winst niet de enige maatstaf is en dus de drang naar efficiëntie niet maatgevend is, hoeven organisaties in het Rijnlandse model niet per se altijd maar te groeien door fusies en overnames. Door deze kleinere schaal zijn Rijnlandse bedrijven beter te managen, of, om het Rijnlands te zeggen, te leiden.
Het Rijnlandse model dus maar massaal invoeren? Helaas heeft het Rijnlandse Model niet enkel voordelen. Het heeft ook een aantal grote nadelen. Massaal invoeren is dus wat te kort door de bocht. Om eens een paar nadelen te noemen: de overlegcultuur zorgt voor een trage besluitvorming en soms zelfs voor besluiteloosheid; er is minder ondernemerschap en minder drang om te excelleren; de grote waardering voor de professional en voor vakmanschap brengt het gevaar van hobbyisme met zich mee, waarbij professionals soms doen wat zij in hun eigen ogen moeten doen en niet openstaan voor kritiek van buitenstaanders; slecht presterende of verlieslatende organisaties of bedrijfsonderdelen worden, soms kunstmatig, overeind gehouden, waardoor er minder vernieuwing van de economie plaats kan vinden en vaak een interne gerichtheid ontstaat, waarvan de klant de dupe is.
Bovendien heeft het Angelsaksische model niet alleen maar nadelen, maar ook een paar duidelijke voordelen. Het is in dit model bijvoorbeeld volstrekt helder waar het om draait, namelijk om geld, en dat is ook nog eens heel goed meetbaar. Wie zijn best doet en excelleert, krijgt doorgaans loon naar werken en kan zelfs heel veel geld verdienen.
Het is bovendien volstrekt duidelijk wie de baas is. Ook is helder wie welke verantwoordelijkheden draagt. Op hun verantwoordelijkheden worden medewerkers afgerekend: wie niet presteert, wordt ontslagen. Bedrijven of bedrijfsonderdelen die geen winst maken, worden beëindigd of verkocht. Het Angelsaksische model is daarmee dynamischer en beter in staat om zichzelf continu te vernieuwen.
Het is lastig aan te geven of Rijnlandse bedrijven succesvoller zijn. In de eerste plaats omdat er nauwelijks puur Rijnlandse bedrijven bestaan. Volgens aanhangers van het Rijnlandse model is het Duitse autobedrijf Porsche een voorbeeld van een Rijnlands bedrijf, omdat hier de vakman (Herr Doktor Ingenieur) nog in hoog aanzien staat en het bedrijf de belangen van alle stakeholders in zijn beslissingen betrekt. Maar aan de andere kant toont Porsche ook weer sterk Angelsaksische trekken. Er is bijvoorbeeld wel degelijk een sterke afrekencultuur: wie niet presteert, mag vertrekken. En zo zijn er ook Amerikaanse bedrijven die wel aan de beurs genoteerd staan, maar die volop maatschappelijk verantwoord ondernemen. Voorbeelden hiervan zijn onder meer Starbucks en Johnson & Johnson.
In de tweede plaats zijn Rijnlandse bedrijven vaak niet aan de beurs genoteerd, maar opereren zij in de beschutting van een familie of coöperatie. Vaak publiceren deze bedrijven geen resultaten, waardoor de vergelijking met beursgenoteerde, sterk Angelsaksisch georiënteerde bedrijven lastig is. Een voorbeeld hiervan is Rabobank, die door zijn ingewikkelde structuur toch moeilijk te vergelijken is met een bank als bijvoorbeeld ABN Amro.
En ten derde hangt het er maar van af hoe je succes definieert. Misschien zijn Angelsaksische bedrijven succesvoller op financieel gebied. Maar voor Rijnlandse bedrijven tellen ook aspecten als duurzaamheid, goede relaties met klanten, leveranciers en vakbonden en de kwaliteit van de producten of diensten. Deze waarden zijn bijzonder lastig te meten. In het Angelsakssische model worden ze daarom vaak nauwelijks erkend. Daar geldt: zolang iets niet in geld is uit te drukken, telt het niet.
En in de laatste plaats is succes erg gevoelig voor sentiment. Waar het in de jaren negentig nog uitsluitend de markt en de beurskoers waren die het succes van organisaties bepaalden, is het sentiment momenteel sterk op de hand van het Rijnlandse model. Maar niets is zo wisselvallig als sentiment: als de beurzen straks weer aantrekken, kan het heel goed zijn dat de slechte resultaten uit het recente verleden snel zijn vergeten en men vrolijk op de oude voet verder gaat.
Het zou natuurlijk fijn zijn als het Rijnlandse model de crisis had kunnen voorkomen. Dat is echter niet zonder meer het geval. Hebzucht is overal en zelfs de Rijnlanders is niets menselijks vreemd. Ook in het Rijnland komen machtsmisbruik en zelfverrijking voor, misschien zelfs wel meer dan in de Angelsaksische landen, omdat het Rijnlandse model in principe minder transparant is. Er wordt minder scherp afgerekend op resultaat en de verantwoordelijkheden zijn minder helder vastgelegd. Het Rijnland is bijvoorbeeld ook het gebied waar vooroverleg in de bouw welig kon tieren, waar concurrenten prijsafspraken met elkaar maakten en waar sommige (staats)bedrijven complete markten domineerden en de consument niets te kiezen had.
Het is echter wel zo dat juist de afreken- en bonuscultuur aan de basis van de kredietcrisis lag, omdat bankiers erdoor geprikkeld werden om producten te verkopen die ze zelf niet eens snapten en die de klant misschien ook helemaal niet nodig had. Dit kon jarenlang buiten het zicht van toezichthouders en topmanagers plaatsvinden, omdat niemand meer het overzicht had over de enorme wereldomvattende conglomeraten die door de diverse fusie- en overnamegolven waren ontstaan.
Maar wat misschien wel het belangrijkste is: als het er op aankomt, ontbreekt het bij het neoliberalisme ten enenmale aan een fundamentele morele waarde. Wat de aanhangers van Adam Smith ook graag zouden geloven, geld alleen blijkt niet voldoende. Er zijn andere waarden nodig die de economie in de richting sturen die wij als burgers wenselijk achten, zoals solidariteit, kwaliteit of geluk. Want al zeggen economen dat de economie herstelt, de burger merkt hier maar heel weinig van.
Voor beide modellen valt dus wel wat te zeggen. Dit is dan ook de reden dat veel managementdenkers op zoek zijn naar een tussenvorm tussen het Rijnlandse en het Angelsaksisch model. Een soort Rijnlands model 2.0 dus, of Angelsaksisch model light. Hierbij krijgt de vakman wel meer zeggenschap over de invulling van zijn werk, maar wordt hij ook afgerekend op zijn prestaties.
Managers krijgen in dit model meer een regiefunctie, waarbij ze alleen de grote lijnen aangeven, maar de exacte invulling overlaten aan de professional zelf. Bedrijven die volgens dit model ondernemen,hebben meer oog voor hun omgeving, voor het milieu en voor andere stakeholders en zijn meer gericht op de lange termijn.
Voorlopig blijft het echter vooral een zoektocht. De meeste managers en werknemers zijn opgegroeid en opgevoed of in het Rijnlandse of in het Angelsaksische Model. Zij zullen zich dus de principes van het andere model eigen moeten maken. Maatschappelijk verantwoord ondernemen kent tenslotte drie pijlers: planet, people en profit (zie ook ‘MVO is de balans tussen people, planet en profit’) en geld verdienen is nu eenmaal een essentiële voorwaarde voor de continuïteit van bedrijven. Het is dus niet of/of maar veel meer en/en.
Ook de overheid zwalkt nog heel duidelijk in haar streven naar duurzaamheid. Dat zij duurzaam wil inkopen, is toe te juichen. De wijze echter waarop zij dit vervolgens vertaalt in een enorme bureaucratie, maakt het voor veel MKB-bedrijven nagenoeg onmogelijk om aan de vereiste papierwinkel te voldoen. Daaruit spreekt geen vertrouwen in de Nederlandse bedrijven. Maar vooral is het een diskwalificatie van de overheidsdiensten, die blijkbaar zelf niet kunnen bepalen wat duurzaam inkopen is.