Privacy by design is voor veel privacy officers een moeilijk onderwerp. Want hoe zorg je voor preventieve oplossingen die niet ten koste gaan van de functionaliteit. Natuurlijk zijn hier veel theoretische handvatten voor, maar het in de praktijk toepassen van deze theorie is vaak complex.
In dit artikel reiken we voorbeelden aan uit de praktijk. Daarbij gaat het om een mix van technische en organisatorische maatregelen. Om creatief te kunnen meedenken aan oplossingen moet de privacy officer bekend zijn met de mogelijkheden die er zijn. De uitvoering laat hij uiteraard over aan specialisten.
In aanvulling op de organisatorische maatregelen wordt steeds meer ingezet op technische middelen om privacy te garanderen. Privacy Enhancing Technologies (PETs) zijn technische instrumenten om privacyrisico´s te verkleinen of in zijn geheel te vermijden. Zij vormen een belangrijk onderdeel van Privacy by Design. De technologieën en maatregelen richten zich op het elimineren of minimaliseren van de hoeveelheid gegevens die verzameld en opgeslagen worden over een individu (dataminimalisatie), het voorkomen van strijdigheid met privacyprincipes en het inzetten van controle-instrumenten voor gebruikers over informatie die over henzelf verzameld en gebruikt wordt en kunnen in allerlei verschillende systemen en diensten worden toegepast.
Veel online applicaties vragen bijvoorbeeld meer informatie dan strikt noodzakelijk is voor het leveren van een dienst. Het toepassen van dataminimalisatie beperkt het aantal identificerende gegevens over een individu zoveel mogelijk, bijvoorbeeld door niet naar leeftijd en/of geboortedatum te vragen, maar alleen te kijken of iemand meerderjarig is of niet. Een andere mogelijkheid is om de identiteitsgegevens los te koppelen van de overige gegevens die zijn vastgelegd over een persoon (het scheiden van gegevens), of om persoonlijke data direct na een transactie te vernietigen. (Zie ook ‘Toegevoegde waarde van een privacy officer of FG’.)
Ook kan door middel van programmatuur worden afgedwongen dat het verstrekken van gegevens altijd voldoet aan het vigerende privacybeleid. Onder algemene PET-maatregelen vallen bijvoorbeeld het beveiligen van gegevens, het versleutelen van gegevens, authenticatie- en autorisatiemanagement, strenge vormen van toegangsbeheeren dergelijke.
Privacybescherming dient de standaardinstelling in een systeem of dienst te zijn (privacy-by-default). Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een gebruiker een profiel aanmaakt op een sociale netwerksite, dit profiel standaard niet gedeeld wordt met anderen, tenzij de gebruiker deze instelling zelf verandert.
Een ander punt is het inbouwen van privacybescherming in de totale levenscyclus van het systeem/de dienst. Dit betekent dat niet alleen in de ontwerpfase wordt nagedacht over hoe privacy optimaal te beschermen, maar ook bij de implementatie en bij de beëindiging van het systeem: kunnen de data in het systeem bijvoorbeeld worden vernietigd? Dit sluit aan bij het idee van ‘vergeten’ of ‘het recht om te worden vergeten’ (‘right to be forgotten’).
Bij de toepassing van PET staan vier mechanismen centraal:
De vier mechanismen verminderen verschillende privacyrisico’s. Onverbondenheid maakt het bijvoorbeeld technisch onmogelijk om verschillende data / transacties over een subject met elkaar te combineren (aggregatie). De mogelijkheid tot het uniek identificeren van een individu wordt beperkt door het toepassen van anonimiteit, pseudonimiteit of een combinatie van alle bovenstaande vormen die de vertrouwelijkheid van communicatie garandeert. De toepassing van deze mechanismen bij bijvoorbeeld beveiligingscamera’s kan betekenen dat beelden van individuen die rechtstreeks worden weergegeven worden vervaagd. Unieke identificatie is dan niet meer mogelijk.
TNO heeft in 2014 een onderzoek gedaan naar de toepassing van privacy by design voor de digitale dienstverlening van de overheid en kwam hierbij met een lijst van aanbevelingen voor twee groepen toepassingsvoorwaarden:
Beide zijn voorwaarden voor vertrouwen en acceptatie van overheidsdienstverlening (door middel van ICT) en hangen nauw met elkaar samen, waarbij de condities voor verantwoordelijkheid generieke en de condities voor vertrouwen en acceptatie specifieke voorwaarden zijn.
Indien aan deze 16 condities is voldaan, kan de conclusie worden getrokken dat de betreffende overheidsorganisatie (i.c. haar bestuurders/beleidsmakers) beschikt over een ICT-overheidsdienstverlening die de kwalificatie ‘trusted technology’ verdient. Dat is een technologie waarin op overtuigende wijze privacy, vertrouwen, verantwoordelijkheid en acceptatie zijn gerepresenteerd.
Tot slot dient nog te worden nagegaan of en hoe deze ‘trusted technology’ kan worden ingevoerd of kan functioneren, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit en doelmatigheid van de overheidsdienstverlening. De criteria hiervoor zijn geformuleerd aan de hand van de volgende vragen, waarop de beleidsmakers een expliciet antwoord moeten geven:
De aanbevelingen van de onderzoekers van TNO geven een scala van mogelijke maatregelen voor de toepassing van privacy by design, maar tegelijkertijd zijn de onderzoekers zich bewust van het feit, dat zij niet beslissen. Dat geldt ook voor de privacy officer. Hij adviseert zijn opdrachtgever en die beslist.
Natuurlijk is het niet slim om vooraf je kop in het zand te steken en achteraf de hoge rekening te krijgen van de reparaties, maar het is de opdrachtgever, die daarin beslist.
Hierbij moet natuurlijk de afweging gemaakt worden van het belang van privacy bescherming voor de organisatie, vaak vertaald in reputatie.
De privacy officer doet er verstandig aan de context van de organisatie en de risico’s van een privacy incident voor de organisatie mee te wegen in zijn advies. (Zie ook ‘Privacy Officer of Functionaris Gegevensbescherming – FG’.)