Wat is het toepassingsgebied van de Machinerichtlijn?
De Machinerichtlijn geldt voor de volgende producten:
Machines
In de Machinerichtlijn wordt onder een machine verstaan:
-
‘Een samenstel, voorzien van of bestemd om te worden voorzien van een aandrijfsysteem, maar niet op basis van rechtstreeks gebruikte menselijke of dierlijke spierkracht, van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen, en die samengevoegd worden voor een bepaalde toepassing’.
-
‘Een samenstel als bedoeld onder het eerste aandachtspunt waaraan slechts de componenten voor de montage op de plaats van gebruik of voor de aansluiting op kracht of aandrijfbronnen ontbreken’.
-
‘Een samenstel als bedoeld onder de eerste twee aandachtspunten dat gereed is voor montage en dat alleen in deze staat kan functioneren na montage op een vervoermiddel of montage in een gebouw of bouwwerk’.
-
‘Samenstellen van machines als bedoeld onder het eerste, tweede en derde aandachtspunt, en/of niet-voltooide machines die, om tot hetzelfde resultaat te komen, zodanig zijn opgesteld en worden bestuurd dat zij als één geheel functioneren’.
-
‘Een samenstel van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen, en die in hun samenhang bestemd zijn voor het heffen van lasten en die uitsluitend rechtstreeks aangedreven worden door menselijke spierkracht’.
Veiligheidscomponenten
Veiligheidscomponenten die afzonderlijk in de handel worden gebracht vallen ook onder de Machinerichtlijn. Onder veiligheidscomponenten wordt verstaan:
‘Een component, die een veiligheidsfunctie vervult, die afzonderlijk in de handel wordt gebracht, waarvan het niet en/of verkeerd functioneren de veiligheid van personen in gevaar brengt, en die niet nodig is voor de werking van de machine of die door gewone componenten kan worden vervangen om de machine te doen werken’.
Verwisselbare uitrustingsstukken
Hieronder wordt verstaan:
‘Een inrichting die na inbedrijfstelling van een machine of trekker door de bediener zelf hieraan wordt gekoppeld om deze een andere of bijkomende functie te geven, voor zover dit uitrustingsstuk geen gereedschap is’.
Kettingen, kabels en banden
Hieronder wordt verstaan:
‘Kettingen, kabels en banden die zijn ontworpen en geproduceerd voor hijs- en hefdoeleinden als onderdeel van hijs- of hefmachines of van hijs- of hefgereedschap’.
Hijs- en hefgereedschappen
Onder hijs- en hefgereedschappen wordt verstaan:
‘Niet vast met de hijs- of hefmachine verbonden onderdeel of uitrustingsstuk voor het hijsen of heffen van een last, dat tussen de machine en de last, of op de last zelf, wordt aangebracht dan wel bestemd is om een integrerend deel van de last uit te maken, en dat afzonderlijk in de handel wordt gebracht. Stroppen en hun onderdelen worden eveneens als hijs- of hefgereedschappen beschouwd’.
Verwijderbare mechanische overbrengingssystemen
Hieronder wordt verstaan:
‘Verwijderbaar onderdeel dat is bestemd voor krachtoverbrenging van een aandrijfmachine of trekker naar de eerste vaste aslager van de aangedreven machine. Wanneer de inrichting mét de afscherming in de handel wordt gebracht, moet het als één product worden beschouwd’.
Niet-voltooide machines
Hieronder wordt verstaan:
‘Een samenstel dat bijna een machine vormt maar dat niet zelfstandig een bepaalde toepassing kan realiseren. Een aandrijfsysteem is een niet voltooide machine. Een niet voltooide machine is slechts bedoeld om te worden ingebouwd in of te worden samengebouwd met een of meer andere machines of andere niet voltooide machine(s) of uitrusting, tot een machine waarop deze richtlijn van toepassing is’.
Artikelen en bijlagen Machinerichtlijn
De richtlijn bestaat uit 29 artikelen. In deze artikelen is onder andere vastgelegd wat het toepassingsgebied is van de richtlijn, aan welke verplichtingen het bedrijf moet voldoen voordat een machine in de handel wordt gebracht en/of in bedrijf wordt gesteld en hoe er met niet-voltooide machines omgegaan moet worden.
De Machinerichtlijn bevat twaalf bijlagen die een belangrijk deel van de richtlijn vormen:
-
Bijlage 1 bevat de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen waaraan een machine moet voldoen.
-
Bijlage 2 geeft aan welke gegevens in de verklaring van overeenstemming en in de inbouwverklaring voor niet-voltooide machines moeten worden opgenomen.
-
Bijlage 3 bevat de grafische eisen voor de CE markering.
-
Bijlage 4 geeft een opsomming van de machines die een verhoogd risico hebben en aan de eisen van artikel 12, lid 3 en 4 moeten voldoen.
-
Bijlage 5 geeft een indicatieve opsomming van veiligheidscomponenten.
-
Bijlage 6 geeft aan waaraan de montagehandleiding voor niet-voltooide machines moet voldoen.
-
Bijlage 7 geeft aan welke elementen er in het Technisch Constructie Dossier voor machines en voor niet-voltooide machines moeten zitten.
-
Bijlage 8 geeft aan wat de eisen zijn betreffende interne fabricage-controles.
-
Bijlage 9 geeft aan op welke wijze een EG-type-onderzoek moet worden uitgevoerd.
-
Bijlage 10 beschrijft de procedure voor de beoordeling van overeenstemming van de in bijlage 4 bedoelde machines.
-
Bijlage 11 bevat de eisen waaraan keuringsinstanties moeten voldoen die de onder bijlage 4 vallende machines moeten keuren.
-
Bijlage 12 bevat de concordantietabel van Richtlijn 98/37/EG en de onderhavige richtlijn.