In de praktijk zien wij dat het onderwerp ‘keuringsplicht drukapparatuur’ voor veel werkgevers (nog steeds) een lastig punt is. Het onderhoud van bijvoorbeeld een koelmachine wordt door de leverancier uitgevoerd, de gebruiker gaat ervan uit dat alles daarmee in orde is. Hoe moet je als gebruiker weten dat een koelmachine een (mogelijk keuringsplichtig) drukapparaat is?
In dit artikel informeert consultant Peter Mesie je over de gewijzigde wetgeving, en geeft praktische aanwijzingen voor het vaststellen en uitvoeren van de keuringsplicht.
Tot 2016 gold de regel dat keuringsplichtige drukapparatuur op grond van een ontbrekende keuringsplicht in de voorgaande gebruiksjaren vrijgesteld was van keuringsplicht. Vanaf 2016 is die uitzondering vervallen, en moet deze drukapparatuur ‘gewoon’ gekeurd worden. De aanlooptermijn voor deze zogenaamde ‘eerste herkeuring’ is zo ongeveer verstreken, maar hoe het precies zit met deze categorie is soms nog geheel onbekend.
In dit artikel laten we zien hoe de regelgeving eruit ziet, wat de wijzigingen van 2016 inhouden en hoe je drukapparatuur zó inventariseert dat de keuringsplicht bepaald kan worden.
In figuur 1 is de regelgeving voor drukapparatuur schematisch weergegeven.
Figuur 1 Schematisch overzicht regelgeving drukapparatuur
Het linkerdeel bevat de wetgeving voor de fabrikant. Dit is Europese productregelgeving in het CE-kader, met name de Richtlijn Drukapparatuur die zich richt tot de fabrikant. Via het WBDA wordt de PED omgezet naar Nederlandse wetgeving.
Het rechterdeel bevat de wetgeving voor de gebruiker/werkgever/exploitant: het Arbo-deel. Deze regelgeving is niet Europees geharmoniseerd en verschilt dus per lidstaat. Beide delen samen vormen het Nederlandse Warenwetbesluit Drukapparatuur (hierna WBDA).
DrukapparatuurNB: voor pre-PED-drukapparatuur, dus gebouwd vóór de PED-ingangsdatum 19 juli 2016, gold voor de vervaardiging andere regelgeving [1]. De eisen aan de gebruikszijde zijn wel gelijk, voor PED- en pre-PED-drukapparatuur.
De lijn met gemarkeerde punten staat voor de levensloop van een (nieuw) drukapparaat, onder de actuele regelgeving voor fabrikant en gebruiker.
Zowel bij de fabrikant als bij de gebruiker kan er sprake zijn van een keuringsinstelling.
Dit kan vragen oproepen: wie doet wat, waarom twee keer een keuringsinstelling bij één drukapparaat? De werkzaamheden van de keuringsinstellingen zijn echter als volgt gescheiden:
CBI’s zijn op instellingen op commerciële basis, die door de overheid zijn geaccrediteerd en namens de overheid hun taken uitvoeren.
De belangrijkste punten uit het gebruiksdeel van drukapparatuur zijn:
1. PED-conformiteit bij aanschaf: PED-plichtige apparatuur moet aan de PED-eisen voldoen.
2. Bewaarplicht documentatie: de bijbehorende documentatie (gebruiksaanwijzing en conformiteitsverklaring) moet beschikbaar zijn.
3. Gebruik conform bestemming: de drukapparatuur moet volgens het door de fabrikant bepaalde (en in de gebruiksaanwijzing omschreven) gebruiksdoel worden ingezet.
4. Borging van de goede staat van onderhoud: drukapparatuur in de gebruiksfase moet voldoen aan de basiseis ‘veilig arbeidsmiddel’.
5. Vaststelling en naleving van de keuringsplicht: keuringsplichtige drukapparatuur moet ook daadwerkelijk gekeurd worden, als verplichting aan de gebruiker om dit te regelen.
Punt 5 ‘keuringsplicht’ is hier apart vermeld, maar vormt uiteraard een onderdeel van de borging op de goede staat, punt 4.
De achtergrond van de keuringsplicht in de gebruiksfase is: drukapparatuur met een lage risicosetting in de gebruiksfase is niet keuringsplichtig, drukapparatuur met een hoger risicosetting wel. Het betreft hierbij zowel ontwerp- als gebruiksgegevens: ontwerp- en gebruiksdruk, vatvolume of leidingdiameter, vloeibare of gasvormige media en de eigenschappen daarvan.
In deel 2 van dit artikel volgt de uitgewerkte bepaling van de keuringsplicht.
Voor de begripsvorming alvast wel een afbeelding: één van de tabellen waarmee de keuringsplicht bepaald wordt.
Figuur 2 Eén van de tabellen ter bepaling van de keuringsplicht (bewerkt PM).
Bron: Praktijkregels Drukapparatuur (PRDA) katern 1.3, september 2016.
Hierin is het onderscheid tussen zorgplicht en keuringsplicht aangegeven:
De relatie met de risicosetting is zichtbaar: bij een hogere ontwerpdruk en groter volume neemt het gebruiksrisico toe (denk aan beschadiging, lekkage of ander falen). Op een gegeven moment wordt de keuringsgrens van 1.000 bar cq. 1.000 barliter overschreden en geldt er keuringsplicht.
DrukapparatuurHieronder volgt een korte beschrijving van de keuringstypen. Omwille van het overzicht is de herintredekeuring buiten beschouwing gelaten.
Figuur 3 geeft schematisch de keuringstypen aan voor een (nieuw) drukapparaat in de gebruiksfase.
Figuur 3 Schematisch overzicht keuringsplicht (PED-apparatuur)
Bij vastgestelde keuringsplicht moet de KvI uitgevoerd worden vóór ingebruikneming van het drukapparaat. Deze keuring is bedoeld om risico´s te ondervangen die bij het installeren kunnen ontstaan; tevens worden de PED-aspecten gecheckt.
verificatie aan de hand van de bijbehorende documentatie, controle op goede staat, montage en toegankelijkheid van de drukapparatuur, controle van de beveiligingen.
Een KvI is ook van toepassing, indien een bestaand (keuringsplichtig) drukapparaat op een andere locatie opgesteld wordt. Wijzigingen aan niet-keuringsplichtige drukapparatuur kunnen KvI-plicht tot gevolg hebben, en vice versa.
Als regel houdt keuringsplicht in: vóór inbedrijfneming KVI, aangevuld met periodieke herkeuringen gedurende de levensduur. Deze keuring richt zich op verslechteringen die in de loop van de levensduur van het drukapparaat kunnen optreden, waardoor risico´s kunnen ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan diverse vormen van corrosie, erosie, chemische invloeden, vermoeiing etc.
Voorafgaand aan de herkeuring dient de gebruiker een zogenaamd ‘herbeoordelingsplan’ op te stellen. Hierin geeft de gebruiker aan welke onderzoeksmethodieken op welke locaties van het drukapparaat toegepast zullen worden. De keuringsinstelling beoordeelt dit plan, voorafgaand aan de eigenlijke herkeuring.
In de voorgaande versie van het WBDA, gemakshalve aangeduid met ‘WBDA 2002’, gold het zogenaamde ‘overgangsrecht’. Bij het vaststellen van de keuringsplicht kon het voorkomen dat een drukapparaat als keuringsplichtig werd aangemerkt, terwijl er onder de oude regelgeving geen keuringsplicht bestond. In dergelijke gevallen verviel de vastgestelde keuringsplicht, met een beroep op het overgangsrecht uit het Warenwetbesluit Drukapparatuur [4].
Bij de revisie van het WBDA in 2016 is het overgangsrecht vervallen. Dit houdt in dat nu keuringsplichtige drukapparatuur niet meer onder eigen zorgplicht kan vallen, met een beroep op een niet-keuringsplichtig verleden. Dergelijke apparatuur wordt aangeduid als ’keuringsplichtige zorgplicht-apparatuur’, en moet voorbereid worden op een keuringsregime door een Nederlandse keuringsinstelling.
De gangbare herkeuringstermijn bedraagt 4 à 6 jaar. Gerekend vanaf de ingangstermijn van het WBDA 2016 moet dus zeer binnenkort alle keuringsplichtige zorgplichtapparatuur ter keuring worden aangeboden, cq moet reeds gekeurd zijn. Zie de onderstaande figuur 4.
Figuur 4 Schematisch overzicht keuringsplicht (pre-PED en voorheen niet keuringsplichtig)
De keuring voor ‘keuringsplichtige zorgplichtapparatuur’ wordt aangeduid met ’eerste herkeuring’ (EH, figuur 4). Taalkundig niet juist, maar wel een oplossing om uitdrukking te geven aan een startend keuringsregime niet vóór, maar in de gebruiksfase.
Als een machine in gebruik wordt genomen haal je bij Kader dé expertise om de machine in veilige staat te houden. Niet alleen om te voldoen aan de wet- en regelgeving, maar ook zodat jouw mensen veilig met de machine kunnen blijven werken. Bij Kader ben je aan het juiste adres voor kant en klare oplossingen om jouw machine in veilige staat te brengen. Ook begeleiden we bij de realisatie hiervan, bijvoorbeeld bij een eerste herkeuring. Een keurings- en inspectieplan, of een LOTOTO procedure. Wij helpen je graag.
[1] De overgangstermijn buiten beschouwing gelaten.
[2] Europese ConformiteitsBeoordelingInstantie, voorheen NoBo. Omdat de PED Europese regelgeving is, mag elke Europese EU-CBI ingeschakeld worden.
[3] Nederlandse ConformiteitsBeoordelingInstantie, voorheen AKI. Omdat dit Nederlandse regelgeving betreft mag alleen een Nederlandse CBI ingeschakeld worden.
[4] Dit overgangsrecht was gebaseerd op de intentie van de wetgever om de regels niet te verzwaren, maar alleen te bundelen en overzichtelijk te maken. Ontbrekende keuringsplicht in het gebruiksverleden moest dus in de aangepaste regelgeving voortgezet kunnen worden.